Twitter

Our team member Harm Custers was asked to answer the weekly “5 questions” for Dutch news platform FloraNews… https://t.co/4qbOpcDj4B
2018-02-09 09:19:27
RT @jaimedols_takii: El próximo Miércoles 14 de Febrero os esperamos en CDTA El Mirador. Presentaremos nuevas variedades de brócoli y coles…
2018-02-08 06:03:04
Ready...set...go! Discover our innovative range of vegetable varieties and the latest… https://t.co/WrdY7KDBG0
2018-02-07 09:56:29
INVITACIÓN / Jornada de puertas abiertas / Murcia / Brócoli y col / 14 febrero 9:00 - 17:00 h / Para más informació… https://t.co/h5dzUb2jb2
2018-02-06 22:06:31
RT @FloralDaily: "Sharing is multiplying, listening is appreciating" @takiieurope https://t.co/Td0TwyUVh5 https://t.co/B5GJpd4IcU
2018-02-05 19:16:27
BLOG: Sharing is multiplying - Listening is appreciating [2.30 minute read] https://t.co/U5hsKZiW0c https://t.co/dP0qIyPIlE
2018-02-03 07:30:08

Teelt

Inleiding

De teelt van zonnebloemen is zowel buiten als in de kas mogelijk. Zowel kas- als buitenteelt zullen hier afzonderlijk worden beschreven. Aanwijzigen voor de teelt hebben een algemeen karakter, waarvoor wij geen verantwoording nemen. Eigen teeltinzicht en overleg met de voorlichting blijven nodig, naast het opdoen van eigen ervaring onder verschillende teeltomstandigheden. Bij de teelt van zonnebloemen draait het vooral om het goed inschatten van de groei. Zaken als grondsoort, structuur en locatie moeten duidelijk zijn. Daarnaast is het belangrijk om een goed inzicht te hebben in de voedingstoestand van de grond. Omdat een zonnebloem sterk reageert op temperatuur en daglengte is elke opvolgende teelt anders. De ziektegevoeligheid van de zonnebloem neemt behoorlijk af als de teelttechnische zaken goed op orde zijn.

OP of Hybride

Het verschil tussen zaadvaste (OP) en hybride (F1) zonnebloemrassen: Een zaadvast zonnebloemras is op de klassieke manier ontstaan door kruisen en selecteren. Deze rassen noemen we een OP ras (=open pollinated). Bij een zaadvast ras komen uit het zaad zonnebloemen voort met ongeveer dezelfde eigenschappen als de ouders. De voortplantingscyclus kan dus eindeloos (van generatie op generatie) worden voortgezet. Voor telers heeft dit als voordeel dat ze deze rassen zelf kunnen telen en natelen.

Bij hybride zonnebloemrassen is dit niet het geval. Een hybride ontstaat door inteelt en kruising te combineren. Door inteelt van ouderlijnen worden gewenste raseigenschappen zoals groeisnelheid, lengte, bloemkleur, bladkwaliteit en resistentie vastgelegd in homogeen erfelijk materiaal. Vervolgens worden twee ouderlijnen gekruist. In de nakomelingen (de F1 hybride) worden de positieve eigenschappen van de 2 ouderplanten gecombineerd en – door het zogenaamde heterosis-effect – versterkt. Dit levert een zonnebloemras (F1 hybride) op met een grote uniformiteit (alle zonnebloemen zijn bijvoorbeeld tegelijk oogstrijp). De nakomelingen van een F 1-hybride zijn echter verre van homogeen en hebben allemaal verschillende eigenschappen. Het zaad van een F1 Hybride is dus niet bruikbaar voor een professionele nieuwe teelt.

Vroeg zaaien in de volle grond

De zonnebloem wordt in Nederland op grote schaal gekweekt als snijbloem. De vraag naar zonnebloemen is het grootst van mei tot augustus. Om 1 mei goede kwaliteit bloemen te kunnen oogsten zou men in de volle grond in Nederland, afhankelijk van welk ras je teelt, ergens begin maart moeten beginnen met zaaien. Het probleem is dat het in Nederland dan veelal nog te koud is. Een zonnebloemzaadje heeft namelijk een minimum bodemtemperatuur van 10 °C nodig om te kunnen kiemen. Men kan afdekmaterialen zoals vliesdoek gebruiken om de bodemtemperatuur omhoog te krijgen maar dit maakt maar enkele graden verschil. Resultaten uit het verleden hebben uitgewezen dat het in Nederland in de volle grond onmogelijk is voor begin juni goede kwaliteit bloemen te kunnen oogsten. Om toch in mei al zonnebloemen te kunnen oogsten kan men zaaien in een kas. De rassenkeuze is daarbij zeer belangrijk.

Het effect van daglengte op de groei

De meeste zonnebloemrassen zijn korte dag planten. Dit betekent dat de bloei tot stand komt onder elke daglengte, maar versneld wordt onder korte dag omstandigheden. Korte dag omstandigheden zijn dagen waarin de daglengte korter is dan de kritieke daglengte. Deze kritieke daglengte is voor ieder ras verschillend. Voor Sunrich is de kritieke daglengte 13 uur (= de daglengte op 1 april).

Het effect van eerder of later zaaien dan deze datum is direct van invloed op de steellengte en bloemgrootte. Zaai je eerder 1 april dan resulteert dit in kortere, dunnere stelen en kleinere bloemen. De groei duurt iets langer tijdens lange dag omstandigheden tijdens de zomer. Tijdens de zomer krijgen zonebloemen langere en zwaardere stengels. Sommige rassen worden dan groter en langer dan wenselijk is voor snijbloemen. Hoewel sommige cultivars daglengte neutraal zijn en bloei niet beïnvloed wordt door de daglengte, is het aantal van cultivars beperkt.

Bovenstaand is theorie. De weersomstandigheden zijn in grote mate van invloed op de groei. Als de weersomstandigheden goed zijn kan er al in maart begonnen worden met zaaien. Rassen die in de zomer te lang worden zijn zeer geschikt om vroeg te zaaien. Andere rassen blijven dan veelal te kort.

Buitenteelt

Zaaiperiode

Zaaien kan vanaf begin maart tot ongeveer eind juli; De oogst valt dan vanaf eind juni/begin juli tot ongeveer eind september/half oktober. De zonnebloem kan matig tegen late nachtvorst. Dit is sterk afhankelijk van het weer; koude regen en wind hebben een grote invloed. De bodemtemperatuur moet voor kieming idealiter > 10 °C zijn. Buiten niet te ondiep zaaien (2-3 cm) vanwege vogel- en muizenvraat. Op zandgronden kan men nog dieper zaaien (tot 6 cm). Vaak wordt het zaaibed met acryl afgedekt. Dieper zaaien geeft wel een tragere opkomst. Bij 15 °C duurt de kieming 7 tot 10 dagen.

Onkruidbestrijding

Als het zaaibed enige tijd voor het zaaien is klaargemaakt kan het gekiemde onkruid met een gangbare herbicide worden schoongemaakt. In de praktijk vormt alleen de periode vanaf zaai tot enkele weken naar de opkomst (trage groei) een probleem in verband met onkruid. Daarna groeit de zonnebloem vrij snel door. Door het perceel in het begin bij te houden met wieden is een onkruidprobleem te voorkomen.

Klaarmaken van het zaaibed

Het zaaibed moet zodanig klaargemaakt worden dat i.v.m. de kieming en weggroei van het zaad de bodem voldoende vochtig is en een goede structuur bevat. Wanneer tweemaal een herbicide wordt gebruikt (voor zaaien) met een grondwerking, kan dit invloed hebben op de vochtigheidsgraad van de grond. Ook kan structuurbederf, als gevolg van overvloedige regenval of ‘kapot rijden van het land’, tot gevolg hebben dat de grond minder vocht en lucht kan bevatten. Hierdoor kan valse meeldauw sneller de kop op steken. Verder kan structuurbederf een verminderde water- en meststoffenopname en daardoor een verminderende opbrengst tot gevolg hebben.

Plantdichtheid

Buiten wordt uitsluitend op rijen gezaaid. Om de teelt te vervroegen kan de eerste teelt op perspot worden gezaaid en vervolgens geplant. Planten resulteert in een vervroeging van 7 – 10 dagen op de eerste directe zaai. Voor de buitenteelt is 20 – 25 pl/m² voldoende. Te veel planten brengt het risico met zich mee dat ze te dun blijven en omwaaien. Te weinig planten geeft sneller een te grote bloem. De gewenste bloemgrootte is 10 – 15 cm. In de praktijk worden 3 of 4 rijen gezaaid per bed. Tussen de rijen kan men een ruimte van 25 – 50 cm handhaven. In de rij worden de zaden met een afstand van 8 cm gelegd. 1 gram bevat ongeveer 20 zaden. Per hectare is ongeveer 100.000 – 110.000 zaden nodig. Men geeft er de voorkeur aan om vrij dik te zaaien in verband met eventuele uitval.

Water geven

Dit wordt alleen gedaan wanneer het blad ’s morgens slapt hangt. Overdag is het ook mogelijk dat de bladeren slap hangen; dit houdt verband met het grote bladoppervlak dat veel verdamping veroorzaakt. Tegen de avond zal het blad weer stevig worden. Men hoeft dus niet te snel water te geven. In droge perioden is beregenen wel noodzakelijk. Hoewel zonnebloemen van een licht vochtige grond houden, kan te veel gieten nadelig zijn voor het gewas. Te veel water geeft een te weelderig groeiend gewas wat ziekten en omwaaien veroorzaakt.

Bemesting

De grondsoort bepaalt bij de zonnebloem voor een groot deel de bemesting. Niet alleen de hoeveelheid, maar ook de vorm waarin u deze meststoffen geeft, is belangrijk. Een probleem van de zonnebloem is de onregelmatige groei. Bij koud donker weer in het voorjaar lijkt het gewas bijna altijd gebrek te lijden. Als er daarna echter warmte komt, is de groei explosief. Valt er dan ook voldoende water, kan er stikstof uit de bodem vrijkomen. Hoe groter het kleihumus-complex, des te groter de nalevering van stikstof. Zonnebloemen groeien van nature makkelijk op schrale gronden. Op zwaardere gronden vraagt bemesting meer van het vakmanschap van de teler. Bij de bemesting is het belangrijk om de groei van het gewas van tevoren in te schatten. Als het gewas tijdens de eerste fase schraal staat, moet u bijmesten voor de kwaliteit. Verwacht u echter veel nalevering van stikstof, geef dan altijd snelwerkende meststoffen, die ook weer snel verdwenen zijn. Kalksalpeter is voor dit doel het geschiktst. Wanneer u een blijvend tekort verwacht, dan kunt u beter kalkammonsalpeter (KAS) geven. Let erop dat bij zware gronden de lange werking van KAS veel groter is dan op schrale grond. De vroegste en late gewassen blijven korter dan de gewassen die midden in de zomer groeien. Als de eerste set te schraal en te kort wordt, kunnen de latere teelten met dezelfde bemesting te lang en te zwaar worden. Dit heeft deels te maken met de daglengte en deels met de temperatuur. De allerlaatste teelten worden bijna nooit te lang en te zwaar. U kunt niet leren van de teelten die in een andere deel van het seizoen plaatsvonden. Voor een goede stikstofbemesting, moet de basis goed in orde zijn.

Zonnebloemen vragen weinig of geen stikstof (maximaal 50 kg/ha). Te veel stikstof geeft makkelijk kopblad en een te weelderig en lang gewas. Zorg voor ruim voldoende kalium in de voorraad, zodat de stikstof niet éénzijdig gaat werken. Grootste probleem is de ongecontroleerde vrijkomende stikstof, of u die nu zelf geeft of uit de organische stof vrijkomt. Verschillen in bodemstructuur binnen een perceel geven bijna altijd problemen met de gewasstand.

Bij een zonnebloem gaat wel veel kali in stengel en blad zitten. Zorg dus voor een goede voorraad aan kali en magnesium. Ook de behoefte aan Borium en Molybdeen is vrij groot.

Met bemesting heeft u enkele sturingsmogelijkheden. Als u de echte groei goed inschat, kunt u met bij bemesten goede resultaten bereiken. Als de kwaliteit in orde is, kunt u stug bemesten met bijvoorbeeld Multi-K-Mg. Deze meststof bevat veel kali en een beetje stikstof. Als het goed is, blijft het gewas tijdens de teelt iets korter en stugger. Net voor de bloei kunt u dan een lichte bemesting geven met kalksalpeter zodat de bloemsteel nog net even strekt en iets verder boven het blad uitkomt. Omdat de groei in feite al is gestopt, is er weinig kans op meer lengtegroei. Te schraal telen geeft bijna altijd problemen met de kwaliteit van de bloem en het blad, de bloemen blijven kleiner en het blad kleurt geel. Om problemen met het blad te voorkomen kunt u ook een bladbemesting toepassen. Regelmatig meespuiten van bitterzout (2g per l) en mangaansulfaat (1g per l) geeft al snel een groene bladkleur en bladeren met minder vlekken. Mangaanbemesting is vooral nuttig op gronden met een hoge pH. Wanneer u voor de botrytis bestrijding een middel gebruikt met mangaan, dan geeft u ook al een deel van de bladbemesting.

Vanuit de teelt is de volgende voedingsbehoefte per hectare bekend (110.000-120.000 planten):

  • 60-70 kg N
  • 40-50 kg P2O5
  • 175-200 kg K2O
  • 100 kg CaO
  • 35 kg Mg
  • 0,2 kg B

Groeiregulatie

Om de groei te kunnen remmen kan er 2 tot 3 keer gespoten worden met Alar (2-3 g/l), maar meestal is dat niet voldoende.

Oogst

De takken zijn oogstbaar als de lintbloemen omhoog staan. Dit is het minimale aanvoerstadium. De bloemen moeten snel op water met een Chloorpil gezet worden. Ze worden gebost op 5 takken, inhoezen is niet verplicht. Zorg dat u de bloemen droog oogst. Lukt dit niet, zorg dan voor veel ventilatie in de verwerkingsruimte en dat de bloemen ruim worden opgesteld, zodat er voldoende lucht doorheen kan. Zet nooit natte bloemen op transport naar de veiling.

Ziekten en plagen

Vooral botrytis en luis kunnen voor problemen zorgen in de zonnebloem. Luisbestrijding vraagt alle aandacht vanaf het moment dat de bloem te zien is. Luizen kunnen dan de uiteindelijke bloem dusdanig verminken dat het niet meer mogelijk is zonder keur te veilen. Met plaatselijke aantastingen van wantsen rekent u met de luisbestrijding direct af. Wantsen zorgen voor littekenachtige gaatjes in de uitgroeiende plantendelen. Botrytis is niet alleen een probleem tijdens de teelt maar ook tijdens de oogst. Tijdens de teelt is valse meeldauw een behoorlijke probleem. Naarmate u langer helianthus teelt, wordt dit probleem steeds groter, omdat de ziekte in de grond achterblijft. Let dus op goede vruchtwisseling. Valse meeldauw groeit het makkelijkst als het gewas vaak nat is. De verschijningsvorm van deze valse meeldauw wijkt af van de gebruikelijke. De schimmel groeit in het blad. Vaak wordt de aantasting afgebakend door nerfvakken. Op besmette percelen bieden wij u een andere optie in de vorm van F1 Sunrich Orange DMR, de eerste valse meeldauw resistente zonnebloem in de sierteelt. Bladvlekken worden veroorzaakt door allerlei bladvlekkenziekten, die op dezelfde manier kunt bestrijden als valse meeldauw. Toch is het beter om voorbehoedend een fungicide te gebruiken. Bij een evenwichtige bladbemesting is het probleem met bladvlekken minder groot. Zorg voor goede basisomstandigheden heeft de voorkeur boven bespuitingen.

Dierlijke aantastingen

  • Luis
  • Witte vlieg
  • Slakken
  • Mineervlieg
  • Ritnaalden
  • Trips
  • Wantsen

Plantaardige aantastingen

  • Alternaria
  • Botrytis
  • Sclerotinia
  • Rhizoctonia
  • Valse Meeldauw
  • Echte Meeldauw
  • Verticilium
  • Witte roest

Kasteelt

Zaaien/planten

In de praktijk is er tot nu toe met goed resultaat gezaaid vanaf half februari tot en met half augustus. Bij latere zaai bestaat er de kans dat bij de bloei de bloemen niet open komen. Bij de vroegste zaaiing kan men starten met Sunrich Orange Summer F1. Vanaf begin maart kan men schakelen naar Premier Orange vanwege zijn kortere steellengte.

Teeltduur

De teeltduur is 9 – 12 weken; afhankelijk hoe snel het gewas de korte dag in gaat. Planten scheelt ongeveer één week in teeltduur. In een warme zomer kan er na 6 weken al bloei optreden van de eerste bloemen.

Opkweek

Meestal wordt er ter plekke gezaaid, vanwege arbeidsbesparing. Planten geeft een betere verdeling van de planten op het bed, maar er kan wortelbeschadiging optreden bij het uitplanten. De pitten worden gezaaid in een 240 of 600 gaats tray; 176-gaats is te groot met als gevolg een los kluitje. Daarnaast kiezen tuinders vaak voor een perskluitje. Het zaad wordt plat gelegd, net onder de grond. Niet te diep want dan duurt de opkomst onnodig langer. Het zo diep zaaien als het zaad dik is.

De opkweek vindt plaats bij lange dag (16 uur). Assimilatielicht is gunstig bij donker weer en in februari. De kiem temperatuur is 18 °C. De opkweek tot maximaal 4-5 cm lengte. De kiemkracht op de tray is bijna tot 100% mogelijk. Ter plekke zaaien kan ongelijkheid in opkomst geven. Bij een regelmatig vochtige grond valt dit mee. Ongeveer 35 – 45 zaden per m² bed. Daarna gaas over rollen.

Plantdichtheid

Bij een gezaaid gewas moeten er 30 tot 40 planten per m² bed staan na kieming, zo regelmatig mogelijk verdeeld. Het gewas planten in chrysantengaas, 32 planten/m² bed. Tot de augustus plantingen eventueel de buitenste mazen vol planten (8 mazen breed), dus 40 planten/m² bed. Wanneer je nog hoger gaat dan blijven de stelen dunner en de bloem kleiner. Er blijven vaak wel meer takken onder het blad naburige planten zitten: veel zin heeft dat dus niet.

Belichten

In de basis is de zonnebloem een dagneutrale plant. Toch blijkt dat de daglengte van invloed te zijn op de aanleg van de bloemknoppen en de lengtegroei. Onder korte dagen (11 tot 12 uur daglengte) worden eerder bloemen aangelegd, waardoor de plant ook korter blijft. Onder lange dagen worden wel knoppen aangelegd, alleen gaat de afbloei trager. De lengte neemt enorm toe bij de Sunrich Orange F1. Premier Orange heeft vanwege zijn unieke genetische eigenschappen daar geen problemen mee; lengte strekking onder lange dag blijft derhalve achterwege.

De bloei treedt ook sneller op bij het korter worden van de dagen in de nazomer/herfst. De reactie op daglengte is niet zo sterk als bij chrysant, want buiten bloeit een in april gezaaid gewas omstreeks eind juli. Bij lange dagen neemt wel de lengtegroei en de teeltduur toe.

In de zomer wordt in de kas verduisterd. De daglengte wordt beperkt tot 11 uur midden in de zomer en tot 12 uur in het voor- en najaar. Verduisteren kan vanaf vorming van het derde of vierde bladpaar. Er zijn ook goede ervaringen om al te gaan verduisteren vanaf één week na opkomst. Te laat verduisteren geeft al snel een te lang gewas. Het verduisteren kan wel tot gevolg hebben dat de lintbloemen kleiner worden en in aantal verminderen.

Bij een natuurlijke daglengte korter dan 11 uur wordt de eerste weken belicht tot 16-17 uur.

Bij zaaiing vanaf week 4, cyclisch belicht 18 uur (per half uur 7,5 minuten tot het derde bladpaar daarna verduisteren of licht uit 13 uur.

Na week 12 alleen verduisteren, als het licht toeneemt altijd een onderbreking van 13 uur donker.

Temperatuur

Bij de kieming een temperatuur van 18-20 °C aan houden. Daarna mag de temperatuur naar 15-17 °C. Let op dat de dagtemperatuur altijd boven de nachttemperatuur blijft. Hiermee voorkomt u dat de bloem te diep in het blad blijft zitten.

Watergift

Sterk afhankelijk van de grondsoort. In de regel kan men na het aanslaan van de planten toe met weinig of geen water. Meer water geeft een grover gewas en meer lengte.

Bemesting

Niet te veel stikstof geven in verband met de lengte en de grootte van het blad. Een zonnebloemgewas vraagt veel kali en fosfaat en is gevoelig voor borium- en/of molybdeengebrek. Boriumgebrek is te herkennen aan gerimpeld blad tussen de nerven. Molybdeengebrek uit zich door geel-groene bladeren waarbij de bladrand afsterft. Zorg dus voor een goede voorraad aan kali, magnesium en fosfaat voor de teelt, omdat tijdens de teelt weinig water wordt gegeven.

Groeiremming

In het voorjaar, als het nodig is om de groei te remmen, kan vanaf 30 cm één of enkele malen met Alar (±2-3 g/l) gespoten worden. In het najaar kan Alar een sterke reactie geven en de groei bijna stil zetten, vooral bij donker weer. Verlaag dan de concentratie of gebruik geen Alar. Weinig of geen water geven kan dan voldoende zijn om de lengte te beperken.

Oogst en verwerking

Hoe hoger het gewas, hoe moeilijker te oogsten. Vooral het naar voren halen van de bloemen vormt dan een probleem. Dit is in gewassen tot 1,50 meter wel mogelijk met de chrysanten boslijn. De bloemen moeten snel op water worden gezet vanwege het slap gaan van het blad. Op de emmer moet een chloorpil worden toegevoegd. Inhoezen is niet nodig. De zonnebloem wordt veelal per 5 stelen gebost. Er staan 5 bossen lengte 60 of 80 cm in het veilingfust.